koepel

mannelijk (de)/ˈkupəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
    Het Pantheon van Rome is een van de oudste koepels.
    Ik keek. De gestrenge gevels met de arcades stuurden de blik met majesteitelijk gezag in de richting van de basiliek van San Marco, die met haar koepels en ronde vormen een bubbelend en bijna buitenaards contrast vormde met het wereldse machtsvertoon van het plein.
  2. wiskunde (wiskunde) een ruimtelijke figuur, veelvlak
    Een vijfhoekige koepel is in de meetkunde een Johnson-lichaam.
  3. (in samenstellingen van woorden) een overkoepelend orgaan
    Volgens de koepelorganisatie van wooncorporaties ligt de oorzaak onder meer in de hoge prijs van de koopwoningen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘halfbolvormige overwelving’ voor het eerst aangetroffen in 1600

Vertalingen

Engelsdome, cupola
Franscoupole
DuitsKuppel, Kuppel, Dachverband
Spaanscúpula
Italiaanscupola
Russischкупол
Deenskuppel