koepel
mannelijk (de)/ˈkupəl/
Wat is de betekenis van koepel?
koepel betekent: (bouwkunde) een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
- (wiskunde) een ruimtelijke figuur, veelvlak
- (in samenstellingen van woorden) een overkoepelend orgaan
Voorbeelden van "koepel" in een zin
- Het Pantheon van Rome is een van de oudste koepels.
- Ik keek. De gestrenge gevels met de arcades stuurden de blik met majesteitelijk gezag in de richting van de basiliek van San Marco, die met haar koepels en ronde vormen een bubbelend en bijna buitenaards contrast vormde met het wereldse machtsvertoon van het plein.
- Een vijfhoekige koepel is in de meetkunde een Johnson-lichaam.
- Volgens de koepelorganisatie van wooncorporaties ligt de oorzaak onder meer in de hoge prijs van de koopwoningen.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘halfbolvormige overwelving’ voor het eerst aangetroffen in 1600
Vertalingen
Engelsdome, cupola
Franscoupole
DuitsKuppel, Kuppel, Dachverband
Spaanscúpula
Italiaanscupola
Russischкупол
Deenskuppel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek