komiek

mannelijk (de)/koˈmik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die een publiek vermaakt door ze aan het lachen te brengen
    het is misschien wel een goed idee om een komiek in de Italiaanse regering op te nemen, aan een clown waren ze al jaren gewend

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘grappig’ voor het eerst aangetroffen in 1653

Vertalingen

Engelscomedian, comical
DuitsKomiker, komisch
Spaanscómico, cómico