komma
/ˈkɔma/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (taalkunde) een leesteken dat een pauze aangeeft, weergegeven met symbool ,Met een komma kun je hier één zin van maken, in de plaats van twee.
- (muziek) een klein stelselmatig verschil in toonhoogte veroorzaakt door een andere benadering van het spellingsprobleemHet Pythagoreïsch komma.
- (wiskunde) symbool om bij breuken de eenheden van het gebroken deel te scheidenin de Angelsaksische notatie gebruikt men i.p.v. de komma een punt.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘leesteken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1612
Vertalingen
Fransvirgule
DuitsKomma, Beistrich
Spaanscoma
Italiaansvirgola
Portugeesvírgula
Russischзапятая
Chinees逗號, 逗号
Turksvirgül
Poolsprzecinek
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek