Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

konijnentand

mannelijk (de)/koˈnΙ›inΙ™(n)ˌtΙ‘nt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gebitselement van een konijn,
    Ook halssnoeren van berenklauwen en konijnentanden behoorden tot de vondsten.
  2. figuurlijk, medisch, pejoratief (figuurlijk) (medisch) (pejoratief) snijtand in de bovenkaak van een mens die ver over de overeenkomstige tand in de onderkaak uitsteekt
    Als een der eersten kwam een grijze heer met enorme konijnentanden de zaal binnen en ging vooraan in het midden zitten. De rest van het binnendruppelende gehoor groette de desbetreffende heer allemaal zeer beleefd en ging al naar gelang men al of niet bij Philips werkte, rechts of links in de zaal zitten. Na de voordracht van De Koster nam Frits Philips, want die was het, meteen het woord.