Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

koning winter

mannelijk (de)/ˌkonɪŋˈwɪntər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het koudste jaargetijde symbolisch voorgesteld als een strenge vorst
    Het deed denken aan de traditionele krantenkop 'Nederland in de greep van Koning Winter als het een paar dagen vriest. In die plichtmatigheid zagen we de werking van het cliché.
    De herfst was voorbij; de boomen hadden hun bruinen bladertooi afgeschud, en stonden daar met hunne kale takken, gebogen door de gure windvlagen; als een lijkkleed lag de sneeuw op de aarde. Koning Winter was gekomen met zijne roode hulstbessenkroon.

Etymologie

*, aangetroffen vanaf 1876 (zie vindplaats hieronder), geschreven met een hoofdletter volgens