kontje

/ˈkɔncə/

Wat is de betekenis van kontje?

kontje betekent: (figuurlijk) (voeding) uiteinde dat niet wordt gegeten of bereid als de rest

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. figuurlijk, voeding (figuurlijk) (voeding) uiteinde dat niet wordt gegeten of bereid als de rest
  2. bij groente of fruit de overgang naar steel of wortels
  3. overgebleven uiteinde van een worst
  4. bij in plakken gesneden brood of gebak: elk van de uiteinden die grotendeels uit korst bestaan
  5. metonymisch (metonymisch) behulpzame duw tegen het achterste
  6. van iemand die iets beklimt
  7. sport (sport) van wielrenners
  8. figuurlijk (figuurlijk) ondersteuning bij het bereiken van een doel
  9. metonymisch (metonymisch) duw met het achterste

Voorbeelden van "kontje" in een zin

  • Als je een paar schoteltjes maakt die op kamertemperatuur gegeten worden, dan zie je jezelf vorderen – de tuinboontjes met komijn, de wortel met citroensap, oranjebloesemwater en munt, de doperwtjes met een in stukjes gehakt kontje serranoham, het is allemaal zo klaar en meteen lekker.
  • Snijd het kontje van de courgettes.
  • Snij het kontje van de venkel en het bovenste gedeelte van de stelen.
  • Haal punt en kontje van de bonen af.
  • Want ‘we’ gooien gemiddeld wel veertig kilo voedsel per persoon per jaar weg, sommige bronnen zeggen zelfs: wel vijftig kilo. () Maar denk eens aan alle beschimmelde boterhammen, de restjes die achter in de ijskast uit het zicht zijn gaan staan bederven, de verschrompelde worteltjes en slappe bleekselderie uit de groentela, de halve blikjes tomatenpuree, de uitgelopen uien en aardappelen, de restjes slagroom en zure room die naar kaas zijn gaan ruiken, de boter die naar kaas is gaan ruiken, de kaas die een zweterige korst is geworden, de muffe amandelen, het kontje worst waar een zure lucht aan hangt, de drie plakjes lichtgroene ham, de glazig geworden gekookte aardappelen, de keiharde ontbijtkoek of de koekjes die slof zijn geworden in de trommel.

Etymologie

*afgeleid van "kont"