koolstof
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkol.stɔf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) roet, fijnstof afkomstig van steenkool, as (e.d.)Eenige Mannen Trouwen twe of drie Vrouwen, die na de dood van hare Mannen nooit wederom Trouwen, maar gaan altijd daar na in 't swart, en besmeren haar aangezigt met kool-stof en vet.
- (scheikunde), (element) een chemisch element en een kleurloos of zwart niet-metaal, met symbool C en atoomnummer 6Om de koolstof (carbonicum) te bekomen of daar te stellen, wel is waar niet in zijne volkomenheid, doch ten minste genoegzaam zuiver tot bereiking van het oogmerk, neemt men gezond en van bast beroofd eiken- , beuken of eenig ander hout; doch liefst kurkenhout. Dit hout vormt, na vooraf tot stukken gebragt en een' tijd lang in water gekookt te zijn, in een' bedekten kroes gedaan, en daarna zoo lang aan eene gloeihitte blootgesteld, tot er niets meer vlugtigs kan worden uitgedrevenVuil water wordt vaak gefilterd met een filter met koolstof.
Etymologie
* [2] Leenvertaling van wetenschappelijk Neo-Latijn "carbonicum", in de betekenis van “chemisch element”, ingevoerd in 1789, zie vindplaats hieronder.
Vertalingen
Engelscarbon
Franscarbone
DuitsKohlenstoff
Spaanscarbono
Italiaanscarbonio
Portugeescarbono
Russischуглерод
Japans炭素
Koreaans탄소
Arabischكربون
Turkskarbon
Poolswęgiel
Zweedskol
Deenscarbon, karbon, kulstof
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek