koppel

onzijdig (het)/ˈkɔpəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tweetal
  2. aantal bij elkaar behorende dieren of zaken
  3. natuurkunde (natuurkunde) stelsel van twee in absolute zin gelijke en evenwijdige krachten, waarvan de werklijnen niet samenvallen en die in tegengestelde richting werken
  4. twee mensen die met elkaar een relatie hebben of met elkaar getrouwd zijn
  5. een grootheid die iets zegt over de trekkracht van een voertuig
zelfstandig naamwoord
  1. draagriem, vooral om een sabel, bajonet enz. aan te dragen

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gordel, band’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1252

Vertalingen

Spaanspar, pareja, par