koppel
onzijdig (het)/ˈkɔpəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- tweetal
- aantal bij elkaar behorende dieren of zaken
- (natuurkunde) stelsel van twee in absolute zin gelijke en evenwijdige krachten, waarvan de werklijnen niet samenvallen en die in tegengestelde richting werken
- twee mensen die met elkaar een relatie hebben of met elkaar getrouwd zijn
- een grootheid die iets zegt over de trekkracht van een voertuig
zelfstandig naamwoord
- draagriem, vooral om een sabel, bajonet enz. aan te dragen
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gordel, band’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1252
Vertalingen
Spaanspar, pareja, par
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek