koppigheid
vrouwelijk (de)/ˈkɔpəxˌhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de mate van koppigheidHet meisje deed al die vervelende dingen alleen maar uit koppigheid.
- zaken die gedaan worden door een koppig iemandHet veel te laat thuiskomen was een van zijn koppigheden.
Etymologie
* afgeleid van koppig
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek