koppigheid

vrouwelijk (de)/ˈkɔpəxˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate van koppigheid
    Het meisje deed al die vervelende dingen alleen maar uit koppigheid.
  2. zaken die gedaan worden door een koppig iemand
    Het veel te laat thuiskomen was een van zijn koppigheden.

Etymologie

* afgeleid van koppig