korst

mannelijk/vrouwelijk (de)/kɔrst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
    Kinderen willen vaak de korst van hun brood niet opeten.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘rand van iets die taaier is dan de rest’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Engelscrust
Franscroûte
DuitsKruste
Spaanscostra
Italiaanscrosta
Portugeescrosta
Russischкорка
Poolsskórka