kost
mannelijk (de)/kɔst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) geldbedrag of andere tegenprestatie voor een verkregen voorwerp of dienst of voor veroorzaakte schadeHet enkelvoud is in deze betekenis verouderd, zeker in Nederland; het meervoud kosten is gangbaar geworden.
- (voeding) voedsel, als onderdeel van het dagelijks bestaanIn deze betekenis wordt het meervoud niet gebruikt, maar komen de verkleinwoorden wel voor.Ik probeer zoveel mogelijk gezonde kost te maken, maar soms is het ook een soepje of een boterham.
Etymologie
*van Middelnederlands "cost" / "coste", in de betekenis van ‘uitgave, levensonderhoud’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- De kost gaat voor de baat uit — Om een doel te bereiken moet je eerst uitgaven doen
- saluut en de kost
- In de kost zijn bij — Voor dagelijkse voeding deel uitmaken van de huishouding van
- Vrije kost en inwoning — Gratis voeding en huisvesting
- Zijn kostje is gekocht — Hij heeft een financieel gunstige positie verkregen
- Zijn ogen goed de kost geven — Goed om zich heen kijken
- Mensen niet de kost willen geven — wordt gezegd in het geval dat iets niet geldt voor een groot aantal mensen
- het koste wat het kost
Vertalingen
Engelsfood, nourishment
Fransnourriture, bouffe
DuitsKost
Spaansalimento
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek