kraan

/kran/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kraanvogelachtigen (m), (kraanvogelachtigen) bepaald soort vogel
  2. techniek (f)/(m), (techniek) mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
  3. techniek (f)/(m), (techniek) (van kabels en katrollen voorzien) werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
  4. informeel (m), (informeel) iemand die op een bepaald gebied uitblinkt

Etymologie

*[4] Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘flinke vent’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1866

Vertalingen

Engelswhizkid, tap, faucet
Fransgrue, robinet, grifo
DuitsAss, Hahn
Spaansgrúa