Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

kria

mannelijk/vrouwelijk (de)/kriˈja/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het lezen van de Tora in de synagoge
  2. het maken van een scheur in kleding, als teken van rouw

Etymologie

* [2] Herkomst: Hebreeuws, letterlijk: 'scheuren'