kriel

mannelijk/vrouwelijk (de)/kril/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheldwoord (m) (scheldwoord) kleintje, klein persoon
  2. (f) krielkip
  3. (n) kleine aardappel, krielaardappel
werkwoord
  1. levendig, dartel
  2. kregel, prikkelbaar

Etymologie

* In de betekenis van ‘hoendervogel’ voor het eerst aangetroffen in 1567