kriel
mannelijk/vrouwelijk (de)/kril/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) (scheldwoord) kleintje, klein persoon
- (f) krielkip
- (n) kleine aardappel, krielaardappel
werkwoord
- levendig, dartel
- kregel, prikkelbaar
Etymologie
* In de betekenis van ‘hoendervogel’ voor het eerst aangetroffen in 1567
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek