krielhaan

mannelijk (de)/ˈkrilhan/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. haan van kleine hoendersoort
    Een Twentse krielhaan van Tobi Brinkman uit Goor kraaide zondagmorgen 55 keer en won daardoor de jaarlijkse wedstrijd in Neede. De winnaar van 2014, Harry van Ulden, eindigde ditmaal als tweede. Zijn Twentse krielhaan liet zich 49 keer horen. De derde stek was voor een Hollandse krielhaan van Jan Krooshof uit Neede, die 42 keer kraaide. Tubantia 19 oktober 2015 [https://www.tubantia.nl/achterhoek/haan-van-gorenaar-brinkman-kraait-55-keer-en-wint-in-neede~a53c6689/ Haan van Gorenaar Brinkman kraait 55 keer en wint in Neede]
    Hoe kan Schiphol ongestoord zijn gang gaan terwijl de Amsterdamse horeca aangepakt gaat worden voor buitenlawaai? Wat heet horeca, overlast door drie kraaiende krielhanen kan reeds onrechtmatig zijn, zo blijkt uit een recente rechtszaak. NRC F. Kuitenbrouwer 8 januari 1994 [https://www.nrc.nl/nieuws/1994/01/08/schipholgewoon-bam-over-die-stad-7209444-a1280471 Schiphol:'Gewoon, bam, over die stad']
    Met Van Erk eten Fortuyn en Langendam in Boswachter Liesbosch in de bossen bij Breda. Er scharrelen krielhanen op het erf. "Hebben jullie oesters?", vraagt Fortuyn zodra de ober een Zuid-Afrikaanse witte Chardonnay heeft ingeschonken. NRC M. de Galan & J. Chorus 27 juli 2002 [https://www.nrc.nl/nieuws/2002/07/27/wie-betaalt-bepaalt-7599755-a791536 Wie betaalt, bepaalt]
  2. klein persoon

Vertalingen

Engelsdwarf cock, bantam cock