krik

mannelijk/vrouwelijk (de)/krɪk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een voorwerp om zware dingen, zoals een auto, mee op te tillen
    Ik had een lekke band met de auto, maar kon de krik niet vinden.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘dommekracht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1950