krioelen
/kriˈjulə(n)/
Betekenis
werkwoord
- in grote aantallen willekeurig door elkaar heen bewegen(…) de talrijke wandelaars krioelen in hun bonte kledij dooreen en overal is gezang, gedans, gejuich.
- vol zijn, druk zijnDe straten krioelen hier van de toeristen.Het krioelde hier van de mieren.
Etymologie
*van Middelnederlands "crielen", mogelijk weer van "kriuwelje" "kriebelen"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek