Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

kroet

mannelijk (de)/krut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. eendvogels (eendvogels) bepaald soort watervogel, uit de familie
zelfstandig naamwoord
  1. fruit (fruit) van de boom afgevallen appels of ander fruit van mindere kwaliteit
    In september, na de appeloogst, blijft er een heleboel zogenaamd kroet onder de bomen liggen. Dat wordt gebruikt als veevoeder of men laat het gewoon rotten.
  2. voeding (voeding) jam gemaakt uit appels van mindere kwaliteit
zelfstandig naamwoord
  1. ruwe aardolie, zoals die direct uit de bodem is gewonnen
    Het zaksel van de olie koekt vast op de bodem, die van tijd tot tijd schoon moet. Is de kroet erg dik, dan gaat er eerst stoom in.

Etymologie

*[C]: van "crude"