krommer

mannelijk (de)/ˈkrɔmər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. stuk hout met een gebogen vorm
    Van de totale uitgaven was tussen de ƒ600.000 en ƒ750.000 bestemd voor de scheepsbouw met als grootste kostenpost eikenhout voor de scheepsromp. Het Hamburgse, overzeese en bovenlandse hout werd aangeleverd als rechthout en krommers (speciaal kromgegroeide bomen), die vervolgens in de houtzaagmolens bij de scheepswerf tot balken en planken verzaagd werden.
  2. bouwkunde, scheepvaart (bouwkunde), (scheepvaart): staander met een gebogen vorm, bijvoorbeeld als deel van spant
    De boogvormige ribben van de peer, elk met een doorsnede van ca. 15 × 15 centimeter bestonden elk uit enige zware stukken eikenhout, die destijds uit zwaar plaathout waren gezaagd, overeenkomstig de gewenste kromming. De oorspronkelijke constructie zal bestaan hebben uit krommers aan één stuk.
    Om ruimte te winnen werden in de tijd van de eikehoutconstructies soms de spantbenen vervaardigd uit kromgegroeid hout, de zogenaamde krommer.
  3. toneel (toneel) dunne scharnierpen die bovenaan in een oog is gebogen, zodat decorstukken met scharnieren snel kunnen worden opgebouwd en afgebroken
    De krommer als woord is voortgekomen uit de traditie van de dagelijks praktijk bij het bouwen van decorstukken. Het betreft een grote spijker, waarvan de kop is omgebogen en die dient als een pin om twee scharnierhelften met elkaar te verbinden. De krommer kan gemakkelijk zonder gereedschap of een klein tikje van een hamer verwijderd worden.

Etymologie

*: "krom" met de uitgang -er

Vertalingen

Engelsknee
Franscourbe
DuitsKrummholz