kruk

mannelijk/vrouwelijk (de)/krʏk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. simpel zitmeubel zonder leuningen
    Alle stoelen zijn bezet, maar er staat daar nog wel een kruk.
  2. steun vanaf de oksel bij het lopen
    Hij loopt nu al twee weken met krukken.
  3. simpel handvat waarmee een deur geopend kan worden
    Hij draaide de kruk van de deur en stapte binnen.
  4. techniek (techniek) dwarsstaafje dat als handgreep dient, en dat haaks door een schacht van een bedieningsknop, gereedschap of iets dergelijks steekt
    Een dopsleutel met een kruk.
  5. techniek (techniek) een van de centrale as uitstekend deel van een krukas
    Op de krukken van een krukas komen vaak grote krachten te staan.
  6. scheldwoord (scheldwoord) incapabel, onhandig of krakkemikkig persoon
    Ik kan geen spijker recht inslaan, want bij het klussen ben ik nogal een kruk.

Etymologie

*[4]: In de betekenis van ‘handvat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285

Vertalingen

Engelsstool, crutch, T-handle
Franstabouret, béquille
DuitsHocker, Krücke, Knauf
Spaanstaburete, banquillo, muleta
Italiaansstampella, gruccia
Russischтабурет, табуретка
Poolskula
Zweedspall