kuit
mannelijk/vrouwelijk (de)/kœyt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) achterzijde van het been tussen knie en enkelIk was goed in vorm, waardoor ik des te gekker opkeek toen iemand mij toch inhaalde. Deze persoon had gigantisch gespierde kuiten en twee lange blonde vlechten onder een versleten baseballcap.
- (dierkunde) visseneitjesDe vissen hebben kuit geschoten.
- (kleding) bovenste gedeelte van een kous [1]
zelfstandig naamwoord
- (drinken) een bepaald soort bier gebrouwen van tarwe, haver en gerst
Etymologie
*[B]: van Middelnederlands "coyte" / "keucht" / "cuys"
Uitdrukkingen
- Aan zijn kuiten trekken — Ervandoor gaan
- De kuiten nemen — Ervandoor gaan
- Ergens haring/hom of kuit van willen hebben — Van alles precies willen weten hoe het in elkaar steekt, ergens duidelijkheid en/of uitsluitsel over willen (vaak afgekort tot Hom of kuit)
Vertalingen
Engelscalf, roe
Fransœufs de poisson
DuitsWade, Rogen
Spaanspantorrilla, huevas
Italiaanspolpaccio, uova
Russischикра
Chinees獐鹿
Japans卵, たまご, tamago
Koreaans알
Turksbaldır, balık yumurtası
Poolsłydka, ikra
Deenskalv
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek