kuit

mannelijk/vrouwelijk (de)/kœyt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) achterzijde van het been tussen knie en enkel
    Ik was goed in vorm, waardoor ik des te gekker opkeek toen iemand mij toch inhaalde. Deze persoon had gigantisch gespierde kuiten en twee lange blonde vlechten onder een versleten baseballcap.
  2. dierkunde (dierkunde) visseneitjes
    De vissen hebben kuit geschoten.
  3. kleding (kleding) bovenste gedeelte van een kous [1]
zelfstandig naamwoord
  1. drinken (drinken) een bepaald soort bier gebrouwen van tarwe, haver en gerst

Etymologie

*[B]: van Middelnederlands "coyte" / "keucht" / "cuys"

Uitdrukkingen

  • Aan zijn kuiten trekkenErvandoor gaan
  • De kuiten nemenErvandoor gaan
  • Ergens haring/hom of kuit van willen hebbenVan alles precies willen weten hoe het in elkaar steekt, ergens duidelijkheid en/of uitsluitsel over willen (vaak afgekort tot Hom of kuit)

Vertalingen

Engelscalf, roe
Fransœufs de poisson
DuitsWade, Rogen
Spaanspantorrilla, huevas
Italiaanspolpaccio, uova
Russischикра
Chinees獐鹿
Japans卵, たまご, tamago
Koreaans
Turksbaldır, balık yumurtası
Poolsłydka, ikra
Deenskalv