kukelen

/ˈkykələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) buitelend tuimelen of vallen.
    Ik zag de auto over de rand van het ravijn kukelen.
  2. inerg (inerg) het geluid van een haan maken.
    De haan was aan het kukelen.

Etymologie

*[2] (klanknabootsing), vergelijk "kukeleku"