kunst

vrouwelijk (de)/kʏnst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. cultuur (cultuur) toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
    De kunst van het Oude Egypte had eerder een magische of religieuze bedoeling dan dat zij een persoonlijke uiting wil zijn.
    Niet letterlijk uiteraard, maar figuurlijk via een gedeelde bewondering voor nationale sportteams en sporters die in de pers, de fotografie, de kunst en de literatuur mythische proporties aannamen.
    Wetenschap, kunst en literatuur waren de moeite waard; sport niet.
  2. iets wat niet iedereen voor elkaar krijgt
    Het definiëren van het woord kunst is een hele kunst.
    Harris betoogt dat de moderne mens zich weer moet bekwamen in de kunst van het alleen-zijn.
    De kunst was om mijn basisgewicht (base weight) zo laag mogelijk te houden, het gewicht van alles dat ik droeg minus voedsel, water en gas.
  3. namaak
    Hij droeg een kunstgebit
  4. kunstje: een rotstreek

Etymologie

*(erfwoord), via Middelnederlands "const" van Oudnederlands """ "kennis", in de betekenis van ‘kunstvaardigheid, creatieve uiting’ aangetroffen vanaf 1100; van kunnen

Uitdrukkingen

  • Dat is geen kunstDat is heel makkelijk
  • De kunst is, om....Het kan op een bepaalde manier, met een bepaalde truc e.d.
  • Een koud kunstjeIets heel gemakkelijks
  • Geluk is de kunst een boeket te maken van de bloemen waar je bij kuntGelukkig leven met de gegeven mogelijkheden/beperkingen
  • Iemand een kunstje flikkenIemand een valse streek leveren
  • Iets tot een kunst verheffenErg bedreven in iets raken (ook wel sarcastisch: Zeuren tot een kunst verheffen e.d.)
  • Kunst baart gunst
  • Oefening baart kunstDoor veel te oefenen kan men zijn prestaties opkrikken

Vertalingen

Engelsart
Fransart
DuitsKunst
Spaansarte
Italiaansarte
Portugeesarte
Russischискусство
Japans芸術
Arabischفن
Turkssanat
Poolssztuka, umiejętność
Zweedskonst
Deenskunst