kutsmoes

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkʏtsmus/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onbenullig praatje, slechte uitvlucht, slecht verzinsel als uitvlucht, onbenullig voorwendsel
    We hebben diametraal gefaald, kondigde Kees van Kooten aan. De doelstelling van het Simplistisch Verbond was onder andere om de grootste lulkoek aan te pakken, maar de kutsmoes is er bij gekomen, oreerde Wim de Bie.

Etymologie

*(intensiverende)