kwezel

vrouwelijk (de)/ˈkwezəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief (pejoratief) iemand die zo sterk meeloopt in een bepaalde opvatting dat hij sommige dingen niet kan begrijpen
    Hij verwoestte alle natuurlijke geluksgevoel. Hij verpandde zich aan Bismarck. Hij verried zichzelf. Hij werd een burgerlijke kwezel na op de barricaden ener goede revolutie te hebben gevochten.
  2. pejoratief (pejoratief) overdreven vroom persoon
    In beide romans spelen ongetrouwde vrouwen, gebarricadeerde maagden, en godvrezende kwezels een hoofdrol.
  3. religie, verouderd (religie) (rooms-katholiek) (verouderd) vrouw die een gelofte van kuisheid heeft gedaan, maar niet tot een religieuze orde behoort
    Zeg Kwezelken, wilde gy dansen!Ik zal u geven een ei.Wel neen ik, zeî dat Kwezelken,Van dansen ben ik vry;'k En kan niet dansen,'k En mag niet dansen,Dansen is onze regel niet,Begyntjes of Kwezelkens dansen niet.

Etymologie

*[3] van "kwezelen" "kleinigheden doen", vergelijk Middelnederlands "queteren" "over onbenullige dingen praten", in de betekenis van "vrouw die gelofte van kuisheid heeft gedaan" voor het eerst aangetroffen in 1625

Uitdrukkingen

  • geen groter ezel dan een kwezel

Vertalingen

Spaansbeatón, beatona, santurrón