lade

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈladə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. platte uitschuifbare bak in een meubelstuk, bedoeld als bergplaats van losse voorwerpen
    Het legde het afgedroogde bestek in de ene lade en de onderzetters in de andere.

Etymologie

*: van Middelnederlands "lade"; in de betekenis van ‘schuifbak’ aangetroffen vanaf 1627; verwant met "hladha" en "hladhi"

Vertalingen

Engelsdrawer
Franstiroir
DuitsSchublade
Spaanscajón
Turksçekmece