lambiek

mannelijk (de)/lɑmˈbik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. drinken (drinken) natuurlijk gegist Belgisch streekbier met een scherpe, zurige smaak, o.a. gebruikt als basisbier voor geuze, kriek of faro

Etymologie

* van "alambic", "destilleerketel", in de betekenis van ‘biersoort’ aangetroffen vanaf 1811 Roel Mulder, Verloren bieren van Nederland, Houten 2017, p. 82; Jef Van den Steen, Geuze en kriek, Tielt 2011, p. 19.