lasmes

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mes waarmee men overtollig materiaal van een hoepel afsnijdt
    Heeft men de hoepel om het vaatje gelegd en, na de klikken in elkaar gehaakt te hebben, de uiteinden onder de band doorgestoken en afgesneden met het lasmes - dat laatste tezamen heet lassṇ - dan wordt hij met de stómpṃ dissel (V.: den dissel) vastgedreven. Ook maakt men daarbij wel eens gebruik van een dréjfhòwt (V.) en een hamer.

Vertalingen

Engelsknife-shaped sealing jaw