lasso

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een touw met verschuifbare lus om door er mee te gooien koeien en paarden ermee te vangen

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels of Spaans. Verder te herleiden tot Latijn laqueus. In de betekenis van ‘werpkoord met strik’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1836.