Lavendel
mannelijk/vrouwelijk (de)/laˈvɛndəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) (kruid) een geslacht van (chamefyten) uit de lipbloemenfamilie (). Lavendelsoorten worden aangeplant in tuinen omwille van de paarse kleur en de geur van de bloemen
- (n) (kleur) de kleur van lavendelHeeft u die ook in het lavendel?
Etymologie
* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘heestergeslacht, de bloemen daarvan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Vertalingen
Engelslavender
Franslavande
DuitsLavendel
Spaanslavanda, espliego, cantueso
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek