leeuwenkuil
mannelijk (de)/ˈlewə(n)ˌkœyl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (figuurlijk) plaats waar aanvallen of andere gevaren zijn te verwachtenDat was op de laatste bladzijde van Survival (2015), de vorige jeugdroman van Lydia Rood (1957), over Liesbeths verblijf op een zomerkamp voor probleemkinderen. Althans, als zo’n kamp ervoer zij dat, want iederéén daar had wel iets (maar we weten ook: ben je onder pubers, dan gaapt daar een leeuwenkuil van emoties).Van Wijnen is een liefhebber van het Britse parlementaire bedrijf, schrijft hij in zijn inleiding. En dat blijkt. Met veel plezier schildert hij de verbale gevechten in de leeuwenkuil van het Lagerhuis.O, God van de Bijbel!, hadden de zielen van Meier en Barf geroepen, en al de anderen, naar de hel geslingerd met de barstende ‘Marken’, als lappen bloedend vlees voor de leeuwenkuilen op het Damrak en de Blaak, aan stukken gereten ter meerdere heerlijkheid van Hollands Glorie; (…)
- diepe uitholling in de grond gebruikt voor het houden van een of meer grote katachtigen In de Oudheid was een zware strafmaatregel om een veroordeelde als voedsel voor deze leeuwen te gooien, tegenwoordig wordt het woord gebruikt als benaming voor een verdiept aangelegd leeuwenverblijf in een dierentuin.Een reiger is afgelopen weekeinde aan een vroegtijdig einde gekomen nadat hij was geland in de leeuwenkuil van de Amsterdamse dierentuin Artis.Rembrandts Daniël in de leeuwenkuil is aandoenlijk door de onbeholpenheid waarmee hij een brullende leeuw tekent, en ontroerend door de manier waarop een andere leeuw de jonge Daniël een poezig kopje lijkt te geven.
Etymologie
*, een verwijzing naar een verhaal in het Bijbelboek [https://www.statenvertaling.net/bijbel/dani/6.html Daniël 6]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek