lekkerbek
mannelijk (de)/ˈlɛkərˌbɛk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- liefhebber van smakelijk eten- Een luieraar en een luiwammes verschillen evenveel van elkaar als een lekkerbek en een veelvraat. Keek naar het verheven genot van parende libellen. Hoorde zelfs hun vleugels, een extatisch geluid, als flapperend papier tussen de spaken van een fiets. Tuurde naar een hazelworm die rond de wortels waar ik lag een miniatuur-Amazone verkende. Stilte? Niet helemaal, nee.Mitchell, David Wolkenatlas vertaald door Aad van der Mijn 2005 {{ISBN|9021474840
- (kookkunst) gefrituurde witvis (vroeger wijting en kabeljauw tegenwoordig: heek, pollak of schelvis)- Hé Jan, neem jij even drie lekkerbekjes mee van de visboer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek