leliaard

mannelijk (de)/ˈlelijart/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geschiedenis, pejoratief (geschiedenis) (pejoratief) Vlaming die in de middeleeuwen de kant van de Franse koning koos
    Hun troepen veroverden eerst het kasteel van Jan van Sijsele, die net als Jan van Gistel veel belastingrechten op de stad kon laten gelden en als leliaard gehaat was.

Etymologie

*van Middelnederlands "leliaert"; op te vatten als afgeleid van lelie , omdat de Franse koningen die bloem in hun wapen voerden