lening

vrouwelijk (de)/ˈlenɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) tijdelijke verschaffing van geld, dat later weer wordt terugbetaald, vaak met vergoeding van rente
    Hij heeft een lening afgesloten bij de bank.
    Ik probeer een lening te krijgen om op zijn minst een van die schilderijen voor de tentoonstelling te kunnen bemachtigen.
    En ik heb voor die lening getekend,' zegt hij schor.
  2. bedrag dat geleend wordt
    Een lening, zo omschreef hij de opname, maar waar die lening voor bedoeld was, werd niet duidelijk.
    De lening bedraagt tienduizend euro.
    In 2009 steunt hij de club opnieuw met een lening, op voorwaarde dat hij de overige aandelen ook in handen krijgt als de club niet aan zijn betalingsplicht voldoet. Dat blijkt in 2010 aan de orde, waardoor Schouten voor 99 procent eigenaar wordt van Vitesse.

Etymologie

* "lenen"

Vertalingen

Engelsloan, mortgage
Fransemprunt
DuitsDarlehen
Spaanspréstamo
Zweedslån