lesdag

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een dag met lessen / schooldag
    De laatste lesdag verliep wel eens met dozen eieren, zakken meel en een flinke opruimklus. Vrijdagochtend was daar geen sprake van; tweederde van de 614 eindexamenleerlingen van het Carmel, locatie Potskampstraat, werd op het Bisschopsplein getrakteerd op ijs. Anderen gingen karten of samen een hapje eten.Tubantia 21-04-17
    Nederlandse universiteiten proberen met nieuwe dienstverbanden onder de aangescherpte flexwet uit te komen. Docenten krijgen wel een vast contract, maar bijvoorbeeld slechts voor één lesdag per week. Voor hun overige werktijd houden ze onzekere, tijdelijke contracten. Door deze 'knutselcontracten'is het voor docenten nauwelijks mogelijk om bijvoorbeeld een hypotheek af te sluiten.Volkskrant Joris Zwetsloot 12 november 2015
    Mijn eerste lesdag op een nieuwe school. Middelbare man, maar beginnend docent. Verwilderd baan ik mij een weg door een stuwende leerlingenmeute. Ik bots tegen een brugklasser op. Hij kijkt omhoog: „Meneer, weet u wanneer ze klaar zijn in dit lokaal?” Ik breng uit: „Nee jongen, ik weet nog niet zoveel van deze school, ik moet nog een beetje wennen.”NRC Henk-Jaap Batelaan 5 september 2016