leukoplast

/ˈløkoˌplɑst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een type plastide in een plantencel dat gespecialiseerd is in het opslaan van suiker (glucose) in zetmeel (amyloplast), of in olie (elaioplast), of in proteïne (proteïnoplast)
  2. hechtpleister in stroken van rubber of kunststof met zinkoxide

Etymologie

* In de betekenis van ‘hechtpleister’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1910

Vertalingen

Spaansleucoplasto