leven

onzijdig (het)/ˈlevə(n)/

Wat is de betekenis van leven?

leven betekent: het doormaken van het leven, het doormaken van de periode tussen geboorte en dood

Betekenis

werkwoord
  1. het doormaken van het leven, het doormaken van de periode tussen geboorte en dood
  2. wonen, verblijven
  3. spreken en denken over een bepaald onderwerp
zelfstandig naamwoord
  1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
  2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  3. het menselijk bestaan in het algemeen of een deel daarvan
  4. periode dat iets in functie is
  5. activiteit en drukte

Voorbeelden van "leven" in een zin

  • Zij leven al drie jaar langer dan verwacht met die ziekte.
  • Wij zullen lang leven!
  • Vaak had ik gefantaseerd hoe het zou zijn om in een andere tijd te hebben geleefd.
  • Boven alles deed het me beseffen hoe veel geluk ik heb dat ik in een vrij land leef, waar mijn dochters kunnen doen wat ze willen en ongestoord naar school kunnen gaan.
  • Wat leefden we op dit moment in compleet andere werelden, wat was ik ver weg en wat zou ik ze nu graag even vast willen houden.

Etymologie

*(erfwoord): Middelnederlands lēven, ontwikkeld uit Oergermaans *libēn-, bij Indo-Europees *lip-éh₁-ie met de nultrap van de wortel *leip- ‘kleven’, waarvoor zie blijven. Evenals Nederduits leven, Duits leben en Engels live.

Uitdrukkingen

  • Een herinnering levend houden.
  • Hoop doet levenals je kan uitzien naar betere tijden, krijg je weer levenslust; zolang je nog hoop hebt, zijn er ook nog mogelijkheden
  • Leven als een god in Frankrijkeen aangenaam en zorgeloos leven hebben
  • Leven als vrienden en rekenen als vijanden.vriendelijk met elkaar omgaan uit een soort van formaliteit maar eigenlijk helemaal niet zo op elkaar gesteld zijn
  • Leven en laten leven.je hoeft je niet overal mee bemoeien, iets gewoon laten zoals het is
  • Niet bij brood alleen levenmen heeft meer nodig dan alleen eten om te kunnen leven
  • Op de schobberdebonk levendakloos zijn en/of bedelend leven
  • Op grote voet levenveel geld uitgeven

Vertalingen

Engelslive, life, life
Fransvivre, vie, vie
Duitsleben, Leben, Leben
Spaansvivir, vida
Italiaansvivere
Russischжить, жизнь, жизнь
Japans生きる, いきる, ikiru
Poolsżyć
Zweedsleva