Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

levensmoeder

vrouwelijk (de)/ˌlevənsˈmudər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets of iemand die beschouwd wordt als de oorsprong van wat voortbestaat
    Als Adam zegt tot Eva: ik noem u voortaan levensmoeder, wil dat zeggen: Ik zie nu in dat ge met mij op één lijn staat, maar in dienstbaarheid, in dienstbaar zijn aan het baren van het grote Kind.
    Hij was juichend gegaan door het bloed, hij had erin gevonden de levensmoeder van zijn lust en zijn rijkdom.
  2. verouderd (verouderd) levensmoeër, de wil sterker missend, overtreffende trap van levensmoede
    (…) de herfst en komende winter grauw en nevelachtig en de jongen als de gevallen Faëton gaande langs de druipende grachten met een makker, zijn Marsyas, nog rampzaliger en levensmoeder dan hij.

Etymologie

*[bijvoeglijk naamwoord] levensmoede met de uitgang -er