levensvatbaarheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het kunnen gaan leven
    Om de levensvatbaarheid te testen stootte ik met mijn pink tegen het poppenhandje.
  2. het kunnen gaan bestaan
    Vorige week kondigde Netanyahu al de bouw van twee andere nieuwe nederzettingen aan. De Europese Unie riep Israël toen op die plannen te heroverwegen, omdat ze "de levensvatbaarheid van een tweestatenoplossing" zouden bedreigen. En Nederland zegt "bezorgd" te zijn over de Israëlische voornemens. Volgens het internationaal recht zijn de nederzettingen illegaal.

Etymologie

*afgeleid van levensvatbaar

Vertalingen

Engelsgrowing-power, vital force, viability
Spaansviabilidad