libellen

/liˈbɛlə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een orde van gevleugelde insecten. Tot de libellen behoren twee onderordes: de echte libellen () en de juffers (). Beide groepen zijn middelgrote tot grote insecten die meestal goed te herkennen zijn aan hun lange achterlijf en de brede vleugels waarmee ze behendig kunnen vliegen. Libellen hebben opvallende facetogen die een groot deel van de kop vormen. Het lichaam is bij verschillende soorten bont gekleurd
    Het artikel somt meerdere waarheden op: veel soorten gaan inderdaad in aantal en biomassa achteruit, en onder andere vliesvleugeligen, libellen en eendagsvliegen zijn daarvan de dupe, blijkt uit de 73 eerdere onderzoeken.