lid

onzijdig (het)/lɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. maatschappij (maatschappij) iemand die behoort tot een bepaalde groep, vereniging, organisatie of sekte
    De NCRV heeft nieuwe leden nodig om deze te kunnen blijven uitzenden!
    Een jongen uit het dorp, Adrian, lid van de Anarchistische Partij.
    Ik ben lid van de Republikeinse Eenheidspartij.
  2. juridisch (juridisch) deel van een paragraaf van een wetsartikel
    De tekst van art. 269, derde lid, b), is van toepassing vanaf 10.01.2005.
  3. anatomie (anatomie) mannelijk geslachtsdeel, "penis"
    Ik nam zijn lid in mijn mond.
  4. anatomie (anatomie) ooglid
  5. anatomie (anatomie) deel van het lichaam in het algemeen
  6. biologie (biologie) deel van een insect
  7. biologie (biologie) deel van de stengel dat zich tussen de twee knopen bevindt
    De knoop is de plaats waar een blad aan de stengel vastzit en een lid is een stuk stengel tussen twee knopen.
  8. taalkunde (taalkunde) deel van een samengesteld woord
    Het eerste lid van een samenstelling.
  9. verouderd (verouderd) deksel
  10. rang binnen een ridderorde, onder die van ridder

Etymologie

* In de betekenis van ‘lichaamsdeel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1260

Uitdrukkingen

  • Die het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het deksel ( of het lid ) op de neus
  • Het ligt mij op de leden
  • Iets onder de leden hebbenniet helemaal gezond zijn

Vertalingen

Engelsmember, eyelid, lid
Fransmembre, membre, article
DuitsMitglied, Glied, Lid
Spaansafiliado
Russischчлен, член, член
Poolsczłonek, członek, powieka