lid
onzijdig (het)/lɪt/
Wat is de betekenis van lid?
lid betekent: (maatschappij) iemand die behoort tot een bepaalde groep, vereniging, organisatie of sekte
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (maatschappij) iemand die behoort tot een bepaalde groep, vereniging, organisatie of sekte
- (juridisch) deel van een paragraaf van een wetsartikel
- (anatomie) mannelijk geslachtsdeel, "penis"
- (anatomie) ooglid
- (anatomie) deel van het lichaam in het algemeen
- (biologie) deel van een insect
- (biologie) deel van de stengel dat zich tussen de twee knopen bevindt
- (taalkunde) deel van een samengesteld woord
- (verouderd) deksel
- rang binnen een ridderorde, onder die van ridder
Voorbeelden van "lid" in een zin
- De NCRV heeft nieuwe leden nodig om deze te kunnen blijven uitzenden!
- Een jongen uit het dorp, Adrian, lid van de Anarchistische Partij.
- Ik ben lid van de Republikeinse Eenheidspartij.
- De tekst van art. 269, derde lid, b), is van toepassing vanaf 10.01.2005.
- Ik nam zijn lid in mijn mond.
Etymologie
* In de betekenis van ‘lichaamsdeel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1260
Uitdrukkingen
- Die het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het deksel ( of het lid ) op de neus
- Het ligt mij op de leden
- Iets onder de leden hebben — niet helemaal gezond zijn
Vertalingen
Engelsmember, eyelid, lid
Fransmembre, membre, article
DuitsMitglied, Glied, Lid
Spaansafiliado
Russischчлен, член, член
Poolsczłonek, członek, powieka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek