lief
vrouwelijk (de)/lif/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
- vriendelijk, zachtaardigZe zat vol tegenstrijdigheden, was ontwapenend lief maar kon ook onverwacht fel uit de hoek komen zodra iemand te dichtbij kwam of te veel van haar verwachtte.
- mooi, fijngebouwdWanneer ze een tel is ingedut en haar gezicht eindelijk weer iets kinderlijks krijgt, met een lief onderkinnetje en al.Ik vond het ontzettend lief dat je gisteren alle techniek voor Joy hebt gedaan, dat wilde ik je nog zeggen.
- vriendelijk, behulpzaamIk vond het ontzettend lief dat je gisteren alle techniek voor Joy hebt gedaan, dat wilde ik je nog zeggen.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands """ van Oudnederlands """ / "lieva", in de betekenis van ‘bemind, aardig’ voor het eerst aangetroffen in 901
Uitdrukkingen
- meer/minder dan mij lief is — meer/minder dan gewenst
Vertalingen
Engelsdear, dear
Fransaimable, mignon
Duitslieb, lieb, hübsch
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek