liman

mannelijk (de)/ˈlimɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aardrijkskunde (aardrijkskunde) meer bij een riviermonding, dat ontstaat doordat opgehoopt sediment de stroming tegenhoudt
    Beneden Saporosj komt de rivier in een dalingsgebied, buigt daarna om naar het Z. en mondt met een liman in de Zwarte Zee.
    Daarop hadt de Heer Prosorowsky zig aan den Oever van de Liman gelegerd.

Etymologie

*van "лиман" [liman] dat teruggaat op "liman"