limoen
mannelijk (de)/liˈmun/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) (fruit) naar citroen smakende groene citrusvrucht,
- (n) (kleur) de kleur van deze vrucht hebbendHeeft u die broek ook in het limoen?
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans "limon", in de betekenis van ‘citroen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
Vertalingen
Engelslime
Franscitron vert, limon, lime
DuitsLimone, Limette
Spaanslima
Italiaanslimetta
Portugeeslima
Russischлайм
Chinees青檸
Japansライム
Koreaans라임
Arabischليم
Turksmisket limonu
Zweedslime
Deenslime
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek