lip
mannelijk (de)/lɪp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) elk van beide vlezige uitstekels van de mondopeningHij buigt voor haar, en zij maakt een reverence en bijt op haar lip tot de smaak van bloed haar eraan herinnert dat ze rustig moet blijven.Hij buigt voor haar, en zij maakt een reverence en bijt op haar lip tot de smaak van bloed haar eraan herinnert dat ze rustig moet blijven.
- dat wat door vorm, functie of plaatsing gelijkenis met een lip heeft
Etymologie
* In de betekenis van ‘rand van mondopening’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Uitdrukkingen
- Aan iemands lippen hangen — Bijzonder aandachtig naar iemand luisteren
- Het water komt [hem/haar, ....] tot aan de lippen — De nood is bijna te hoog gestegen voor diegene
- Op elkaars lip zitten — (Te) dicht bij elkaar zitten
- Op iedereens lippen liggen — Algemeen onderwerp van gesprek zijn
- Tussen neus en lippen [door] — In een onbewaakt/verloren moment
Vertalingen
Engelslip
Franslèvre
DuitsLippe, Lefze
Spaanslabio
Italiaanslabbro
Russischгуба
Chinees嘴, 嘴唇
Arabischشّفة
Turksdudak
Zweedsläpp
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek