Lis
/lɪs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) en (n): (bloemplanten) een geslacht uit de lissenfamilie (). Zowel het geslacht als de soorten worden in de volksmond iris genoemd. Het geslacht kent naast soorten ook vele cultivars. Lissen worden al lang door de mens gebruikt. In de Egyptische piramiden zijn afbeeldingen van lissen te vinden, die stammen uit 1500 v.Chr. De soorten komen voor in de gematigde delen van het noordelijk halfrond, tot in de Filipijnen als zuidgrensEr stonden lissen langs de kant van de sloot.
- (f)/(m): een strik of lus gemaakt van een draad of touw.
Etymologie
* Naast gewestelijk leus, luujsch, luisbloom; uit Middelnederlands lissc(h)e, lisch, lessc(h)e, lesch(e). Verwant met Nederduits Leesch ‘riet’, Luxemburgs Lëtsch ‘riet’ en Duits Liesch(e) ‘egelskop, lisdodde’.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek