lolbroekerij

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. flauwe grappenmakerij
    Het gesprek ging verder. 'Nu begrijp ik waarom je hierheen bent gekomen, Blake,'zei Charles Farquarson. 'Je vergeet hier alles over Asquith, de lolbroekerij in het parlement en die vermaledijde Kaiser. Hoogst aangenaam.'
    Wat kunnen we allemaal verwachten? Chris Froome met een glas champagne, renners met blikjes bier, misschien ook wel eentje met een sigaar en andere lolbroekerij. Maar dat mag ook best na drie weken fietsen.

Etymologie

*afleiding van lolbroek