lom
mannelijk (de)/lɔm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) (straalvinnigen) (voeding) bepaald soort zeevis, , behorende tot de dorsvissen
- (m) (verouderd) benaming voor vogels uit de orde
- in het ijs uitgehakte opening, bijt
- (n) (onderwijs) (geschiedenis) tot 1998 gegeven onderwijs op Nederlandse scholen voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden
Etymologie
*[2] van "lom", in de betekenis van ‘duikerhoen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1612
Vertalingen
Engelscusk
DuitsLumb
Spaansbrosmio
Poolsbrosma
Zweedslubb
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek