loopplank
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈloplɑŋk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- plank waarover men kan lopen vooral om van de wal op een boot te komenToen de Coolsingel, de hoofdstraat van de stad waar tot op de dag van vandaag niemand woont, in de jaren zestig enigszins was opgeknapt, werd een gigantische bouwput gegraven voor de aanleg van de metro. Jarenlang kluunden de Rotterdammers langs omheinde bouwplaatsen en putten, over noodbruggetjes en loopplanken om hun boodschappen te doen. NRC Rien Vroegindeweij 20 oktober 2016
- (techniek) langgerekt smal oppervlak om langs een machine of door een constructie te lopen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek