loopstal

mannelijk (de)/ˈlopstɑl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. veeteelt (veeteelt) stal waarin dieren niet op een plaats worden vastgezet, maar ruimte hebben om vrij te bewegen
    De koeien van De Gelder gaan niet naar buiten. Ze staan in een enorme loopstal, waar automatisch draaiende borstels en ligboxen met koeienmatrassen zijn.
    Toen in de jaren '60 de loopstal zijn intrede deed, werd met schrik geconstateerd hoe lelijk koeien elkaar konden toetakelen. Ze kregen de vrijheid, maar niet de ruimte, niet genoeg althans om uit te wijken bij dreigend geweld, laat staan om zich daartegen te verweren.